Volledig scherm
Terwijl op de achtergrond zijn maatje Roland de wacht houdt, veegt Paul Brummelhuis de stallen schoon. Op gevoel, want hij ziet vrijwel niets. © Marieke Bakker

Paul Brummelhuis, nagenoeg blind maar altijd in voor een uitdaging

WEERSELO - Paul Brummelhuis (61) ziet nagenoeg niets. Maar met met wat hulp van derden en zijn onafscheidelijke Duitse herder Roland weet hij zich ook alleen prima te redden op de boerderij waar hij werd geboren. ‘Ik ga niet zomaar wat uit de weg.’

Een kwartiertje later dan afgesproken arriveert Paul Brummelhuis bij de boerderij waar hij alleen woonachtig is. Soepel stapt hij uit de bus die hem thuisbracht na een dagje werken op de manege van ’t Roessingh. Na zijn gasten te hebben begroet, gaat hij hen -zonder aarzeling- over de deel voor naar de keuken waar hij zo dadelijk zijn levensverhaal gaat vertellen.

Het lijkt niet bijzonder, maar dat is het wel. Paul Brummelhuis is visueel namelijk zeer beperkt. Als tiener raakte hij zijn rechteroog kwijt, het gezichtsvermogen links is tot twee procent gereduceerd. Het verhaal van een man die uitdagingen niet uit de weg gaat en over de obstakels die hij daarbij tegenkomt.

Glaucoom
Paul Brummelhuis (61) was amper twee toen duidelijk werd dat hij echt een probleem had met zien. „Ik greep iedere keer naast dingen. Eerst dachten ze nog dat het speelsigheid of gekkigheid was.” Op aanraden van een bevriende huisarts werd een specialist in Utrecht geraadpleegd. Diens diagnose was ‘een klap in het gezicht van mijn ouders’. „Ik had een glaucoom. Door een te hoge bloeddruk was mijn oogzenuw beschadigd. Alles wat ik zie, komt heel beperkt en enorm wazig binnen. Als er niet snel werd ingegrepen, zou ik blind worden. Daar hadden mijn ouders dus niet op gerekend.”

Een serie van ongeveer 25 operaties volgt. „Voor mijn linkeroog is dat deels gelukt. Maar het rechteroog is eruit gehaald toen ik een jaar of dertien was.”

Twents
Van zijn zesde tot zijn zeventiende zat Brummelhuis op een school voor slechtziende kinderen. „In Grave zaten 180 jongens uit alle delen van het land, als het maar katholiek was. De meisjes zaten een kilometer verderop.” Omdat hij zoveel van huis was, raakte Brummelhuis bijna zijn gevoel voor de modersproake kwijt. „Toen ik met Kerstmis thuis kwam en ze me vroegen ‘Hoe geet ’t’ kon ik alleen maar antwoorden ‘Goed’. Dat vond ik zo pijnlijk. Ik nam me heilig voor dat zoiets nooit meer mocht gebeuren. Tot mijn negende of tiende lag ik daarom ’s nachts in bed Twents met mezelf te praten.”

Lees het complete interview met Paul Brummelhuis in De Twentsche Courant Tubantia van zaterdag 28 februari.

Oldenzaal e.o.