Ministerie vermijdt oordeel over ‘Big Brother-achtige’ controle op uitkeringen in Enschede
DEN HAAG/ENSCHEDE - Als een uitkeringsgerechtigde 3 euro te weinig aan boodschappen heeft uitgegeven, mag de gemeente Enschede dat geld dan terugvorderen of niet? Staatssecretaris Tamara van Ark wil zich niet branden aan de kwestie en laat een oordeel aan de gemeenteraad of de rechter.
SP-Kamerleden Michiel van Nispen en Jasper van Dijk vroegen de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onlangs om opheldering over de Enschedese bijstandszaak. Maar zij wenst niet specifiek op het lokale beleid in te gaan.
3 euro te weinig aan boodschappen
De zaak kwam aan het ligt toen NPO-programma De Monitor erover publiceerde. Van een Enschedeër werd 3 euro teruggevorderd, omdat hij ‘maar’ 169 euro aan boodschappen had uitgegeven. Het volgens het NIBUD berekende gemiddelde is 172 euro per maand.
Van Nispen en Van Dijk kwalificeerden dit als een ‘Big Brother-achtige’ controlemethode en vroegen minister Sander Dekker van Rechtsbescherming om een oordeel. Ook een interne mail waaruit zou blijken dat een ambtenaar zijn eigen onderzoekskosten moet zien te verhalen op de betreffende uitkeringsgerechtigde is daarin aangehaald.
Oordeel is aan de gemeenteraad
De beantwoording door de staatssecretaris namens de minister blijft summier. Volgens Van Ark gaat het hier om een individueel geval en is het ‘primair de gemeenteraad die het college op de uitvoering van de handhaving controleert en waar nodig aanspreekt’. Wie het niet eens is met een terugvordering of ander besluit van de sociale recherche kan juridische stappen ondernemen. Al hoopt minister Dekker ook dat gemeenten het gros van dergelijke rechtszaken kunnen voorkomen door in gesprek te gaan met de inwoner.
‘Geen staande praktijk’
Overigens zegt Van Ark dat een effectieve en zorgvuldige handhaving volgens haar geen grondslag vindt in financiële motieven, ‘maar in het gegeven dat voor een breed draagvlak voor het stelsel van sociale zekerheid schending van de inlichtingenplicht niet lonend mag zijn’.
De genoemde casus in Enschede lijkt volgens de staatssecretaris op een incident, zowel op lokaal als landelijk niveau: ‘mij hebben geen signalen bereikt dat het hier om een staande praktijk gaat.’