Over het verband tussen kaas en kunst

Een kunstmuseum bezoeken? Dat is niet het eerste waar sommige mensen aan denken bij een dagje uit. Maar de drempel is lager dan je vermoedt. 

‘Gatver, het stinkt hier naar kaas!’ Drie jongens in zwarte trainingspakken ploffen neer op de treinstoelen naast me. Ze hebben gelijk, het ruikt hier best smerig. Ze duwen en trekken een beetje aan elkaar en maken grappen die ik niet begrijp. Ik overweeg ergens anders te gaan zitten. Ik voel me wat ongemakkelijk, met dat opgeschoten gebral om me heen. Toch blijf ik waar ik ben, want eigenlijk vind ik het onzin. Ik zat er eerst. Ik begin aan een broodje kipfilet, tot grote hilariteit van de jongens. Ze wijzen op mij en zeggen dat ze snappen waar die lucht vandaan komt. Ik besluit mee te spelen en zeg: ‘Wil je proeven?’ We pingpongen wat heen en weer met grappige opmerkingen. De dapperste van het stel vraagt me waar ik naar toe ga. Hij spreekt me netjes aan met ‘U’. 

Sportinstructeur

Grote mond, die Twentse jongens, maar ondertussen. We raken aan de praat. Ze vertellen me over hun school, en over de trainingspakken waarin ze lopen. Sportinstructeur, daar worden ze voor opgeleid. Ze zijn 19 en zitten in het derde jaar. De ene is meer hoopvol over z’n toekomstperspectief dan de andere. De dapperste van het stel wil weten wat ik studeer. Ik lach, en zeg dat ik al een tijdje klaar ben met de studie. Wanneer ik ze vertel dat ik museumdirecteur ben, is het hun beurt om te lachen. Ze kijken me aan alsof ik beweer marsmannetjestrainer te zijn. Een van hen vraagt of ik dan ook feesten ga organiseren, met drank, zoals dat ene museum. ‘Het Van Gogh, bedoel je? Ja, dat lijkt me leuk!’, antwoord ik. Weer wordt er gelachen als de jongen met de meeste lef roept: ‘Als je maar genoeg zuipt, dan zie je vanzelf wel wat in die kunst!’ Ik lach mee, geniet van hun kijk op dingen. De jongen tegenover me komt uit Vriezenveen. Hij vertelt ons dat het verboden is om oliebollen aan de straat te verkopen in zijn dorp, vanwege het geloof. We reageren vol verbazing. 

Geloven

Dan vragen ze elkaar of ze ergens in geloven. De jongen uit Vriezenveen zegt: ‘Ik geloof wel in iets, maar niet zo!’ De andere jongen zegt dat hij vooral in zichzelf gelooft. Ik glimlach. Wie had gedacht dat het je binnen tien minuten - met jongeren van deze leeftijd - over grote levensvragen zou hebben? De jongen uit Vriezenveen vertelt dat hij later wil werken met mensen die suïcidaal zijn. Door sport denkt hij hen weer nieuwe energie te kunnen geven, of anders wat afleiding. Dat raakt me. De jongen rechts van me biecht op dat hij niet zo veel vertrouwen heeft in zijn eigen toekomst. ‘Ik deed eerst het vwo, nu doe ik het roc. Maar ik ga doorstuderen. Met alleen mbo red je het niet meer in de wereld.’ 

Studeren

De andere jongens knikken instemmend, ze willen allemaal nog verder studeren. Ze vragen me wat ik heb gestudeerd. Ik vertel over Leiden en kunstgeschiedenis. De jongen rechts van me zegt bloedserieus: ‘Heb je al spijt?’. Ik moet lachen. ‘Nee’, zeg ik, ‘helemaal niet. Zonder die studie was ik nu nooit directeur. En weet je, toen ik op de middelbare school zat, dacht ik ook dat het niks zou worden met mij. Pas veel later, op de universiteit, kreeg ik de smaak te pakken.’ Ze komen wel stagelopen als activiteitenbegeleider bij mij, zeggen ze voordat ze uitstappen. En dan bedenk ik: dit is waar het voor mij om gaat. Dat mensen zichzelf wel zien in dit museum. Ook drie opgeschoten jongens, waarvan je het misschien niet zou verwachten.  

Volledig scherm
© Annabel Jeuring Fotografie