Volledig scherm
PREMIUM
Rob Wissink en Teun Staal voor het debat © Lars Smook & Carlo ter Ellen

Tijd voor het boerenverstand?

Het debatHet land is in de greep van boze boeren. Woensdag was het weer raak en rukten ze massaal met hun trekkers op naar Den Haag. Na het eerste protest begin oktober was er veel publieke steun voor de agrariërs. Maar blijft dat zo nu de acties grimmiger lijken te worden? Rob Wissink en Teun Staal hopen dat de boeren tijdig tot inkeer komen.

Rob Wissink:
‘Rap naar de onderhandelingstafels’

Volledig scherm
Verslaggever Rob Wissink. © Carlo ter Ellen DTCT

Demonstreren is een recht. Nederlandse boeren maken daar de laatste weken veelvuldig gebruik van. Met wisselend succes. De demonstratie op 1 oktober in Den Haag vond ik er een uit het boekje. Want waarom demonstreer je? Om je frustratie te uiten, aandacht te vragen, je stem te laten horen, te protesteren tegen maatregelen die je niet bevallen. En om op het juiste moment met sterke argumenten de publieke opinie te beïnvloeden in jouw voordeel. Want demonstreren is een democratisch instrument dat uiteindelijk een hoger doel dient: je punt maken en dat verzilveren.

Vooral op ‘goodwill’ scoorden de boeren begin deze maand punten. Wat bleek? De Nederlandse burgers, van wie ze dachten dat die zich vooral laten leiden door klimaatlobbyisten en dierenactivisten, stonden met hun duimen omhoog op de viaducten naar de trekkers te zwaaien. De tot dat moment langste file ooit namen ze voor lief. Liefst 91 procent van de Nederlanders - daar reken ik mezelf ook toe - vindt dat boeren meer waardering verdienen voor hun rol in de voedselvoorziening, zo blijkt uit een enquête van DVJ Insights in opdracht van RTL Nieuws. 72 procent steunt de acties van de boeren. Een veel groter draagvlak kun je in Nederland niet krijgen. De landbouwwoordvoerders van de politieke partijen wisten niet hoe snel ze naar het Malieveld moesten rennen om de boeren te paaien. Ik zou zeggen: punt gemaakt boeren, en nu rap met jullie belangenorganisaties naar de onderhandelingstafel.

  1. ‘Hoofd organisatie’ ligt me niet lekker
    PREMIUM
    COLUMN

    ‘Hoofd organisa­tie’ ligt me niet lekker

    Toen ik 19 was en woonachtig te Nijmegen, gaf ik een feest in het studentenhuis van een ander. Op zich is dat niet vreemd. Als je eigen huis, wegens ruimtegebrek, niet feestbestendig is, kan je beter elders de slingers ophangen. Alleen had ik het niet aangekondigd. Ik wist niet dat dat moest. Ik was een oonzeldöpke. Ik wist niet dat je moest zeggen: ‘Trouwens, ik heb vanavond vijftien mensen uitgenodigd in jouw huis.’ Laat staan dat ik moest vragen: ‘Mag ik een feestje geven bij jou?’ Ik was van de extreem-socialistische stempel: jouw huis is mijn huis, mijn feest is jouw feest.