Volledig scherm
Oud hoofdredacteur Jan van Nus © Carlo ter Ellen DTCT

De krant in de oorlog: ‘Wie zijn wij om de mensen van toen alsnog te veroordelen?’

Jan van Nus (76), oud-hoofdredacteur van deze krant, is een oorlogskind. Voor de rol van zijn eigen werkgever in diezelfde oorlog heeft hij zich nooit geschaamd. „Ze wilden er gewoon zo goed mogelijk doorheen komen. Net als bijna iedereen.”

Dat er iets was met Tubantia in de oorlog ontdekte hij pas toen hij er werkte. Het was 1964, twintig jaar na de roemruchte overval van het Twentse verzet op de Nederlandse Bank in Almelo. Jan van Nus, net begonnen als verslaggever op het pas geopende bijkantoor van Tubantia in de Aa-stad, zocht contact met de overvallers die de oorlog hadden overleefd.

„Herman Höften, één van de belangrijke figuren, liep gewoon nog in Almelo rond”, zegt Van Nus. „Het was voor het eerst dat er iets van belangstelling kwam voor wat er in de oorlog was gebeurd. Ik benaderde hem, maar merkte dat er een zekere aarzeling was. Later kwam ik erachter wat dat was. Dat het met Tubantia te maken had en dat hij en die anderen uit het verzet toch moeite hadden om met ons te praten.”

Obsessieve interesse

Volledig scherm
De Utrechtenaar Henk Brinkgreve, in het najaar van 1944 en begin 1945 een van de leiders van het Twentse verzet, op een schilderij dat na de oorlog werd gemaakt. © Historische Kring Losser

Tubantia en de Tweede Wereldoorlog: het zijn de twee belangrijkste pijlers onder zijn leven. De krant diende hij in verschillende functies waarvan de laatste drie jaar (2000-2003) als hoofdredacteur. „Ik stond met de krant op en ging ermee naar bed. De krant beheerste mijn leven. Ik heb het geluk gehad te werken in wat nu een gouden periode lijkt. Alles mocht, alles kon. De groei leek eindeloos.”

Maar vanaf dat verhaal over de bankroof in Almelo groeide ook die andere interesse. Misschien wel tot in het obsessieve, zoals hij zelf zegt. „Ik ben een oorlogskind. Geboren in een maand dat de oorlog kantelde, zonder dat ik ergens van wist. Ik heb wel eens gedacht dat het daar ook mee te maken heeft.”

„Ik wilde gewoon weten wat ik als kind niet kon weten en waarover in de jaren van mijn jeugd vooral gezwegen werd. De oorlog was gewoon geen thema in de jaren 50. Dat begon pas het volgende decennium. Met de serie van Lou de Jong op televisie en het boek van Presser over de Jodenvervolging. Toen ook was er geen houden meer aan.”        

Geen last, wel lastig

De confrontatie met het oorlogsverleden van zijn eigen krant heeft hij nooit als een last ervaren, zegt hij. „Het was hooguit lastig voor anderen, soms. Bij de presentatie van een speciale uitgave van onze krant wilde de toenmalige burgemeester van Eibergen niet komen. Hij bleek een broer te hebben die in de oorlog was gefusilleerd. Ik respecteer dat. Natuurlijk waren er mensen die ons wantrouwden. Dat zag je bijvoorbeeld bij collega’s uit het vak. Sommige journalisten wilden nooit bij ons werken. Maar vaak had dat meer te maken met de actualiteit dan met het verleden. Het is ook heel makkelijk om de oorlog erbij te halen als iets je niet bevalt.”

Er ‘redelijk doorheen komen’

Met de verhalen is hij bekend. Hij leerde ze kennen via collega-journalisten als Henk Stegeman en Jan Bertelink die de oorlog zelf hadden meegemaakt.  En via de werknemers in de drukkerij waarmee hij uit hoofde van zijn functie veelvuldig contact had. „Daar merkte je wat voor het grootste deel van de Nederlandse bevolking gold: het gevoel dat ze er toch redelijk doorheen waren gekomen. Doordat de krant bleef verschijnen hielden ze werk en hoefden ze niet naar Duitsland. Tinus Houwert, de toenmalige directeur, heeft alles gedaan om zijn bedrijf overeind te houden en tegelijk de invloed van de Duitsers zoveel mogelijk te beperken.”

Binnen de redactie was er het verhaal van Krämer en Ballintijn, de twee Twentse journalisten die in de dramatische meidagen van 1940 het Duitse leger achterna reisden en de verwoestingen beschreven. Maar ook over Henk Stegeman, die benoemd werd tot correspondent in Den Haag en gevoelige informatie doorspeelde, niet alleen aan kranten maar ook aan het verzet.

Quote

De toenmalige directeur, heeft alles gedaan om zijn bedrijf overeind te houden en tegelijk de invloed van de Duitsers zoveel mogelijk te beperken

Niet goedpraten

Toch wil ook Van Nus zijn ogen niet sluiten voor de andere kant van het verhaal. Voor de krant die vanaf november 1942 als Twentsch Nieuwsblad aan de leiband liep van de Duitse propaganda, die een lid van de NSB en Germaanse SS als hoofdredacteur accepteerde, nieuws over het front stelselmatig verdraaide en die het hoofdredactioneel commentaar na de mislukte aanslag op Adolf Hitler begon met de uitroep: ‘Sieg Heil’.

„Ik ga dat niet goedpraten. Maar je moet het wel in de context zien van de tijd. De krant heeft zich aangepast, net als bijna alle legale kranten in Nederland. Feitelijk heeft het alleen het Friesch Dagblad onder Algra geweigerd om met de bezetter mee te werken. Als je weet hoe Houwert dacht en voelde en hoe hij zich voor de oorlog juist keerde tegen de NSB, dan besef je ook het dilemma van die man. Hij had zestig man in dienst, had nota bene zelf gevangen gezeten in kamp Amersfoort. Hij kon geen kant op. De commissie die hem na de bevrijding beoordeelde heeft daar ook rekening mee gehouden. De krant was even verboden, maar mocht in september 1946 alweer verschijnen. Wie zijn wij om de mensen van toen, 75 jaar later in totaal andere omstandigheden, alsnog te veroordelen?”

‘Helaas geen uitzondering geweest’

Met de groei van zijn eigen kennis over de oorlog is ook zijn oordeel over goed en fout veranderd, zegt hij nu. „Als ik van niks zou weten, dan zou ik onmiddellijk zeggen: ‘Dat had nooit gemogen’. Maar hoe meer je leest, hoe meer je ontdekt dat de wereld niet zwart of wit is. Goed en fout lopen voortdurend door elkaar. Slechts een klein deel van de Nederlandse bevolking heeft zich daadwerkelijk tegen de Duitsers verzet, maar dat wil nog niet zeggen dat de rest fout is geweest. De overgrote meerderheid heeft zich aangepast, in de hoop te overleven. De krant is daarop helaas geen uitzondering geweest.”     

Quote

Ik ga dat niet goedpraten. Maar je moet het wel in de context zien van de tijd.

  1. ‘We kregen op de redactie veel mails van mensen die Frits Spits sterkte wensten’

    ‘We kregen op de redactie veel mails van mensen die Frits Spits sterkte wensten’

    Het interview met radiomaker Frits Spits (71) van vorige week zaterdag raakte ontzettend veel lezers. Spits – echte naam: Frits Ritmeester – vertelde daarin openhartig over het verdriet na de dood van zijn vrouw Greetje, zijn grote liefde met wie hij 45 jaar was getrouwd. Het interview, dat ook in De Gelderlander werd gepubliceerd, werd gemaakt door Anniek van den Brand (52), chef AD Magazine. Zij vertelt waarom ze de radiomaker juist nu wilde interviewen, hoe het contact met hem tot stand kwam en wat het gesprek met haar deed.