Volledig scherm
Lucien Baard (r) en Ger Dijkstra met de extra editie van De Twentsche Courant Tubantia na de vuurwerkramp in Enschede, op 13 mei 2000. © Carlo ter Ellen DTCT

Wat gebeurde er bij de krant op de dag van de vuurwerkramp?

Achter het verhaalAchter het verhaal - De krant doet verslag van drama’s die de maatschappij schokken. Ze verzamelt feiten om geleidelijk de vraag te beantwoorden hoe het kon gebeuren. Tientallen medewerkers van De Twentsche Courant Tubantia wisten intuïtief dat ze die zaterdag 13 mei 2000 aan het werk moesten toen het vuurwerkbedrijf SE Fireworks ontplofte. Lees hier hoe we te werk gingen op die dramatische dag. „Dit is wat mensen van ons mogen verwachten”, zegt verslaggever Lucien Baard. „We kozen indringende foto’s, maar geen lijken”, zegt toenmalig adjunct-hoofdredacteur Ger Dijkstra.

Journalist Lucien Baard krijgt kippenvel als hij door de krant van zondag 14 mei 2000 bladert. Het is een extra editie van De Twentsche Courant Tubantia met de kop ‘Verbijstering’ en daaronder ‘Twintig doden, ruim 300 gewonden’.

Weer lager de foto van een ontredderde Hindoestaanse familie op de vlucht, gemaakt door fotograaf Reinier van Willigen, die bleef fotograferen terwijl zijn arm was gebroken en bloed uit zijn hand gutste. En onder de vouw (het midden van de krant) de indringende blik van verslaggever Guus Ferrée, met bloed op het voorhoofd. ‘Te erg om waar te zijn’, is de titel van zijn ooggetuigenverslag. ‘Brokstukken vallen op mijn hoofd en mijn rug, ik zie een paar mensen met bebloed hoofd vallen, in een paar seconden is de hemel verduisterd. Jezus, wat nu’, schrijft hij.

De ramp ging nooit meer weg uit de krant

Het is nog een grote krant, een broadsheet, waar het huidige tabloid twee keer inpast. Een deel van de foto’s is in zwart-wit. Op pagina 7 staat een kadertje met de namen van de medewerkers die de extra uitgave tot stand brachten. Lucien Baard is één van de 35. De vuurwerkramp is sindsdien nooit meer uit de krant verdwenen en geleidelijke aan werd Baard degene die het dossier onder zijn hoede kreeg.

Als een nieuwe klokkenluider na jaren onderzoek een vuistdik rapport publiceert en achttien jaar na dato aandringt op een parlementaire enquête, dan belandt dat bij hem op het bureau en dan neemt hij het door. Zoals hij elke tip over een complot nog altijd serieus neemt en ook elke vraag: ‘Is daar eigenlijk wel goed naar gekeken’. „Het eerste vlammetje is nog altijd niet gedoofd”, zegt Baard. „Je weet nooit of de inhoud niet tóch van belang is. De lezers mogen van ons verwachten dat we scherp blijven.”

Quote

Je kunt zeggen dat we ruw werden wakkerge­schud

Ger Dijkstra, toenmalig adjunct-hoofdredacteur

Ruw wakkergeschud

Volledig scherm
De extra uitgave van de krant na de vuurwerkramp. © De Twentsche Courant Tubantia

Ger Dijkstra, toenmalig adjunct-hoofdredacteur: „Een vuurwerkfabriek die ontploft midden in een woonwijk? Dat was iets voor landen als Mexico of Bangladesh, maar toch niet in Twente, toch niet in Enschede? Je kunt zeggen dat we ruw werden wakkergeschud. De hoofdredactie van de een paar jaar eerder gefuseerde De Twentsche Courant Tubantia had vrijdag 12 mei en zaterdagmorgen 13 mei een ‘heidag’ bij Bad Boekelo. Twee culturen waren in elkaar geschoven, voormalige concurrenten waren collega’s in hetzelfde team. We bespraken de resultaten van dat proces. En hadden het over de vraag: zijn we nog scherp genoeg nu er geen concurrentie meer is? Kunnen we het nog? Die zaterdagmiddag werden al onze vragen beantwoord: de redactie kon het nog”.

Op de fiets met notitieblok en pen

Lucien Baard had geen weekenddienst. Het was mooi weer, hij was thuis, de kinderen speelden buiten toen hij de dreun hoorde die klonk als het opblazen van een fabriekspijp met dynamiet. De kinderen schrokken, de buurt vroeg zich af wat het geweest kon zijn, toen de tweede knal kwam. Baard hing zijn tas met notitieblokje en pen om de nek en sprong op de fiets. „Ik dacht: collega’s kunnen vast hulp gebruiken en op de fiets kan ik makkelijker overal komen.”

Fietsend in de richting van de rookwolk drong de ernst van de situatie tot hem door: mensen in paniek, overal puin op de straten, dakpannen, glas. „Er was al wel politie die mensen gebaarde terug te gaan, maar er was nog niets afgezet. Met de fiets kon ik ook niet meer verder, omdat ik die lek zou rijden. Ik zette hem ergens neer en liep het rampgebied in. Ik had later geen idee meer waar hij stond.”

Houvast nodig

In het inferno kwam Baard collega’s tegen die net als hij uit zichzelf aan het werk waren gegaan. Hij meent zich te herinneren dat hij als eerste Harry Gerritsma ontmoette die al informatie had over het ontplofte vuurwerkbedrijf. Baard leende van iemand een mobiele telefoon om naar de Getfertsingel te bellen waar Tubantia was gehuisvest.

Hij had wat houvast nodig. Wie moest wat doen? Maar er was geen verbinding. Later lukte dat wel. Hij belde ook naar huis om tegen zijn vrouw Connie te zeggen dat ze de kinderen binnen moest houden want de Grolsch zou kunnen ontploffen. Hij hoorde dat zij als verbandmeester zo snel mogelijk naar het ziekenhuis moest. Het was nog voordat iedereen elkaar via social media informeerde. Op de redactie waren maar een paar mobieltjes aanwezig.

Quote

Ik zette de fiets ergens neer en liep het rampgebied in. Ik had later geen idee meer waar hij stond

Lucien Baard

Professionalisme versus emotie

Dijkstra: „Een scenario voor het verslaan van een ramp als deze? Nee, dat hadden we niet. De laatste grote ramp in Enschede was de stadsbrand van 1862 geweest, dus waarom ook? Ik zat die zaterdagmiddag thuis nog wat uit te rusten van de sessie op de hei. Er kwam een collega op bezoek, die zei: ‘Ik moet even bellen, ik zie een rookpluim, maar weet niet goed of het uit Hengelo of Enschede komt’.

Hij had het nog niet gezegd of verslaggever Gerben Kuitert belde me: ‘Je moet onmiddellijk twintig verslaggevers en tien fotografen naar Roombeek sturen’. Daarmee begon het organiseren van de redactie. Chef-nieuwsdienst Jan Bengevoord was al op weg naar Enschede om daar zijn team aan te sturen. Een collega in het rampgebied was zoek, leefde hij nog? De professionele modus en de emoties knokten op dat moment om voorrang. Er woonden collega’s in of bij het rampgebied. Mijn moeder belde, ze woonde op Twekkelerveld: deuren en ramen vlogen bij haar uit de sponningen. Of ik wist wat er was gebeurd. Even niet, mam.”

(Lees verder onder de foto)

Volledig scherm
De Deurningerstraat op de hoek met de Boddenkampsingel in Enschede op de dag van de vuurwerkramp.

Geen sensatie, maar vastleggen en uitzoeken

In het ‘bijna-oorlogsgebied’ zei een brandweerman tegen verslaggever Lucien Baard: „Ik weet niet wat je gaat doen, maar wij gaan niet verder. Er zijn doden gevallen, daar ligt iemand.” Baard vroeg zich af of het nuttig was om verder richting vuurzee te gaan, maar bedacht dat hij vooral mensen moest spreken over wat er was gebeurd, over slachtoffers. Hij werkte als ‘in een flow’, maar had het idee dat hij het toch gestructureerd deed. „Ik hield me voor dat ik vooral ooggetuigen moest vinden en wilde opschrijven wat er precies was gebeurd.”

De meesten die hij op straat aansprak begonnen te vertellen zodra hij zich kenbaar maakte als journalist van Tubantia. Hij noteerde hun uitspraken en hun namen, zodat hij ze later kon terugvinden. „Ze zagen ons niet als sensatiezoekers, denk ik, maar begrepen dat dit moest worden vastgelegd en uitgezocht. Natuurlijk, sommigen wilden absoluut niet praten. Die waren bijvoorbeeld op zoek naar familie. Dan liep ik wel een stukje mee en vroeg waar ze iemand waren kwijtgeraakt. Ik voelde empathie, ik wilde ze niet alleen maar uithoren, maar ik moest wel mijn werk doen. Het gegeven dat mensen elkaar kwijtraakten, dat werd een onderwerp op zich. Drie mensen zijn nooit teruggevonden”, vertelt Baard.

Wie doet wat?

Alle verslaggevers werden op een gegeven moment verwacht op de redactie. Collega’s keken elkaar ontzet aan. Wat was onze stad overkomen? Waar was Guus Ferrée? Welke informatie hadden we? Wie ging er weer het gebied in en met welke vragen? Baard en zijn collega’s schreven de informatie die ze in de eerste ronde hadden verzameld zo snel mogelijk uit. Baard maakte een afgerond artikel van iemand die op zoek was naar familie en leverde diverse losse stukjes aan die met bijdragen van anderen tot verhalen aan elkaar werden geplakt.

Quote

Het gegeven dat mensen elkaar kwijtraak­ten, dat werd een onderwerp op zich. Drie mensen zijn nooit teruggevon­den

Lucien Baard, journalist

Dijkstra: „De chef-nieuwsdienst probeerde inzicht te krijgen in de volgorde der dingen. Binnen de hoofdredactie spraken we af wie de diensten pakte. Niet allemaal tegelijk, dat had geen zin. Collega’s belden en boden hun diensten aan. Een enkeling was boos dat hij niet mocht komen. Iedereen wilde er bij zijn, wilde verslag doen. Maar het was me al snel duidelijk dat we niet alleen die zaterdag mensen nodig hebben, maar ook op zondag en de dagen, de weken erna. Collega Jan van Nus nam al snel het besluit dat er een extra editie moest komen op zondag. De drukkerij moest worden geïnformeerd, de omvang van de krant moest worden bepaald. Het liep gesmeerd, ook de drukkers zagen de noodzaak in. Ook daar wilde iedereen er bij zijn”.

Contact via een schaars mobieltje

Toen Lucien Baard weer naar het rampgebied ging om meer informatie te verzamelen over het blussen, over de zoektocht naar mensen die mogelijk nog leven in hun huizen waren en over de evacuatie van het gebied, merkte hij dat er inmiddels afzettingen waren op de singel. Een politieman die hij goed kende keek even de andere kant op zodat hij zijn journalistieke werk kon voortzetten.

In het begin moest hij opletten dat hij niet werd weggestuurd, maar hoe dichter hij bij de kern van de ramp kwam hoe meer mensen dachten dat hij er gewoon bij hoorde. Hij liep gewoon achter de brandweer aan. Hij vroeg een brandweerman of ze huizen in moesten om mensen te zoeken, maar hij kreeg te horen dat het te fel brandde. Via een mobiel van de redactie hield hij de Getfertsingel op de hoogte. De chef-nieuwsdienst vroeg hem of hij meer wist over het aantal slachtoffers. Op dat moment werd nog gesproken van drie.

Het was donker toen hij weer terugkwam op de redactie. Een uur of elf moet het zijn geweest. Hij rondde een verhaal af over de brandweermannen in het gebied en voegde informatie toe aan stukken van collega’s. Hij herinnert zich niet wat de deadline voor de artikelen was, maar het hoofdartikel zelf geeft het antwoord. ‘Om half vijf vanmorgen waren zes lichamen geborgen’, staat er.

(Lees verder onder de foto)

Volledig scherm
Een gewonde van de vuurwerkramp op 13 mei 2000 in Enschede. Er vielen op die dag in totaal 23 doden.

Update van het systeem tijdens drukken extra krant

Ger Dijkstra: „Waar vanwege het ontbreken van een noodplan niemand aan had gedacht was, dat er in de nacht van zaterdag op zondag een update kwam van onze redactionele systemen. We kwamen er achter, omdat we geen pagina’s meer konden doorsturen naar de drukkerij. Daar stonden we dan, te midden van vakbroeders uit binnen- en buitenland, die in de late avond allemaal naar onze redactie kwamen omdat ze ter plekke toch geen informatie meer konden verzamelen. Een ‘shot’ van de eerste extra editie die van de persen rolde vonden ze dan wel lekker. Een opgeroepen IT-specialist kwam snel naar de redactie. Hij kon de update stoppen, maar had geen idee wat dat deed met de systemen. We namen de gok en die pakte goed uit. We konden de extra editie drukken.”

Als Lucien Baard de volgende dag de krant in handen heeft is dat niet thuis, maar op de redactie, want er moest worden gewerkt aan de krant van maandag die opnieuw over de vuurwerkramp ging. „We hadden het gevoel dat de krant van zondag raak was”, zegt Baard. „Dit was wat mensen van ons mogen verwachten. Maar ook realiseerden we ons: nu begint het pas en het wordt een lang traject waarin we moeten blijven zoeken naar wat er is gebeurd. In feite is dat tot op de dag van vandaag nog zo.”

Kiezen uit gruwelijke beelden

Dijkstra: „We moesten foto’s selecteren voor die extra editie. Gruwelijke beelden kregen we onder ogen, maar die foto’s namen we niet. We wilden indringende foto’s, geen lijken. Het is het eeuwige dilemma op de redactie: wat laat je zien. Een fotograaf die toevallig in Enschede was voor een feestje maakte een foto van een dodelijk slachtoffer midden op straat, met drie brandweerlieden op de achtergrond. Het was wellicht de nieuwsfoto van het moment, maar we namen hem niet. Het slachtoffer was een bekende Enschedese jongen, dat kwam te dichtbij. Bram Budel won er in 2000 de Zilveren Camera mee, maar ik vind het negentien jaar na dato nog steeds een wijs besluit dat we juist die foto niet in onze krant lieten zien. Wij staan dichtbij onze lezers.”

„We kunnen het ons ook niet meer voorstellen, maar het was een andere tijd. In 2000 stond het internet nog in de kinderschoenen”, zegt Dijkstra. „Anno nu zou de foto allang viraal zijn gegaan. Maar toen was er eigenlijk alleen de krant, radio en tv. Toen ’s avond de balans op de redactie werd opgemaakt, de foto’s werden bekeken, de chef-nieuwsdienst de productie van zijn team presenteerde, maakten we nog een keuze: we legden het accent op de ramp zelf, op wat de mensen in Roombeek was overkomen. De schuldvraag stelden we later wel aan de orde. Ook daarin weken we af van andere media. Onze rol als regionale krant was nog nooit zo duidelijk.”

Volledig scherm
Een familie vlucht uit het rampgebied ten tijde van de vuurwerkramp. De indringende foto werd afgedrukt op de voorpagina van de extra editie van De Twentsche Courant Tubantia. © Reinier van Willigen

Emoties bij verslaggevers

De ramp greep ook de verslaggever aan. Baard vertelt hoe het beeld van een omgevallen driewieler op straat hem enorm emotioneerde, terwijl hij kort daarvoor minder heftig reageerde op een levenloos lichaam. De verslaglegging van de stille tocht voor de slachtoffers liet hij aan zich voorbijgaan, omdat hij voelde dat het te veel werd. Bij een tv-programma een jaar later stonden de tranen weer in zijn ogen.

Lucien Baard wordt uiteindelijk degene die de vuurwerkramp tot op de dag van vandaag is blijven volgen. Soms voelt het als een belasting, zo omvangrijk is het dossier. „Maar je wilt het ook niet meer loslaten”, zegt hij. „Het is een onderdeel van onze geschiedenis geworden en dat verplicht je de zaak niet te laten lopen. Onderzoek naar grote dingen is mooi en dankbaar werk. Je bent journalist geworden om je ergens in vast te bijten. Elk detail te kennen is de taak van de regionale krant.”

Niet 22, maar 23 slachtoffers

„Daardoor ontdekte ik bijvoorbeeld veel later dat er geen 22 maar 23 slachtoffers waren. Sommigen verwijten ons dat we steken hebben laten vallen, maar we hebben alle theorieën onderzocht zonder partij te kiezen. We hebben naar eer en geweten gezocht naar feiten en antwoorden. Ik denk dat het begin, dat eerste vlammetje, áls dat er al was, alleen duidelijk wordt als iemand op zijn sterfbed spijt krijgt en praat. Maar het kan evengoed kortsluiting zijn geweest.”

Quote

Elk detail te kennen is de taak van de regionale krant. Daardoor ontdekte ik bijvoor­beeld veel later dat er geen 22 maar 23 slachtof­fers waren

Lucien Baard

Terug naar het gezin

Tien jaar later ging Lucien Baard met fotograaf Reinier van Willigen en het Hindoestaanse gezin terug naar waar de foto was gemaakt die op de voorpagina stond, om hen opnieuw in beeld te brengen en hen te laten vertellen hoe het ging. Weer acht jaar later schreef hij over een onderzoek naar hoe mensen die de ramp meemaakten het hebben gedaan in vergelijking met anderen. Hun veerkracht bleekt groot, er was geen wetenschappelijk meetbaar verschil. De journalist beschreef ook deze kant van de ramp.

Quote

Onze rol als regionale krant was nog nooit zo duidelijk

Ger Dijkstra

Ger Dijkstra: „In de dagen na de ramp hadden we moeite woordvoerders en verantwoordelijke bestuurders aan de veren te komen. Daar waar ze altijd graag informatie met ons deelden bestond op de redactie de indruk dat ze liever voor de camera’s van CNN acteerden dan dat ze de regionale pers te woord stonden. In de loop van die week werd het me te gortig en pleegde ik enkele telefoontjes: ‘Als CNN al weer weg is, dan zijn wij er nog!’ Het hielp, de contacten werden redelijk hersteld. Iedereen moest leren in zo’n uniek proces. Wij als redactie, maar ook de bestuurders en de woordvoerders. Niemand was hier op voorbereid.”

Lees alle verhalen over 175 jaar Twentse krant in ons dossier

Volledig scherm
Lucien Baard en Ger Dijkstra © Carlo ter Ellen DTCT
  1. Zo halen we de onderste steen boven in de kwestie ‘Verzakkingen langs kanaal’
    Over Ons

    Zo halen we de onderste steen boven in de kwestie ‘Verzakkin­gen langs kanaal’

    Verzakte gevels, scheuren in muur en vloer, schimmel in de kelder en een terras als een golfslagbad. Langs het kanaal Almelo - De Haandrik, vooral in Geerdijk en Vroomshoop, zijn 260 huizen fors beschadigd sinds het kanaal geschikt is gemaakt voor grotere schepen. Nachtmerrie langs het kanaal’ kopte Tubantia deze zomer. De krant wil dat in deze kwestie de onderste steen bovenkomt en heeft een wob-verzoek ingediend.
  2. ‘We kregen op de redactie veel mails van mensen die Frits Spits sterkte wensten’

    ‘We kregen op de redactie veel mails van mensen die Frits Spits sterkte wensten’

    Het interview met radiomaker Frits Spits (71) van vorige week zaterdag raakte ontzettend veel lezers. Spits – echte naam: Frits Ritmeester – vertelde daarin openhartig over het verdriet na de dood van zijn vrouw Greetje, zijn grote liefde met wie hij 45 jaar was getrouwd. Het interview, dat ook in De Gelderlander werd gepubliceerd, werd gemaakt door Anniek van den Brand (52), chef AD Magazine. Zij vertelt waarom ze de radiomaker juist nu wilde interviewen, hoe het contact met hem tot stand kwam en wat het gesprek met haar deed.