Volledig scherm
Fardau Wagenaar © Emiel Muijderman

Eindelijk, ze gaan weer normaal doen bij FC Twente!

De afgelopen dagen heb ik ze vaak voorbij horen komen: de vlaggetjes met de logo’s van FC Twente en de tegenstander, die bij elke thuiswedstrijd in de bitterballen werden geprikt. Even voor de duidelijkheid: Gerald van den Belt, de nieuwe directeur van FC Twente, ontdekte de prikkertjes toen hij Twente in januari bezocht. Hij dacht, of deze club is stinkend rijk of ze moeten allemaal even heel snel normaal doen hier. Hij gebruikt de prikkertjes nu als metafoor voor alle overdreven luxe bij de club.

Wat een verademing. Lang heb ik gedacht dat wij niet normaal waren. Dat onze kijk op ‘normaal’ niet meer voldeed aan de eisen van de Twentse tijd. Het grootste paradijs FC Twente ging lekker out of the box en als je niet meedeed was je vooral erg bekrompen. We kregen van de clubleiding uitleg over cijfers, over geweldige constructies, over investeringsmaatschappijen, over alles. Als je dan even vragend keek of kritiek leverde, had je het niet begrepen. Dom, dom. Toen Twente in categorie 1 terecht kwam, gebeurde het weer. We moesten niet zo moeilijk doen, want in feite was het allemaal al lang weer opgelost. Bij Twente ging er nooit wat fout. Dat hebben wij altijd betwijfeld en dat werd ons dan weer niet in dank afgenomen.

Onbegrip
De afstand werd de afgelopen jaren groter en het onbegrip tussen club en buitenwereld groeide. De elftalleider sloot de deur van het trainingscentrum eens voor mijn neus en vroeg een steward in te grijpen als ik poogde naar binnen te gaan. Voor mij was het een symbolisch moment: de pers was niet meer welkom. Daarachter lagen dezelfde ruimtes waar we jaren kind aan huis waren geweest, waar we broodjes aten met Fred Rutten, Steve McClaren en Michel Preud’homme. Ze legden off the record zaken uit die speelden, waardoor er meer begrip was. We kenden de spelers, we spraken elkaar vaak. Niemand haalde ons uit elkaar, omdat ze zagen dat het prima werkte. Twente was een warme club.

Niet normaal
Steeds meer zaken begonnen de afgelopen jaren tegen te staan. Ze gingen in tegen ons Twentse gevoel van ‘doe normaal, dan doe je gek genoeg’. Waar kampioenen als Bryan Ruiz, Theo Janssen, Wout Brama en Blaise N’Kufo altijd voorkomend waren, niet boos werden van een beetje kritiek en zichzelf in de spiegel durfden te kijken, worden de spelers van nu beschermd alsof ze van porselein zijn. En zo gedragen ze zich ook. Daar kweek je echt geen winnaars mee. Na een wedstrijd vinden ze het bij de club normaal om de media en sponsors een uur of langer op spelers te laten wachten. Dat is niet normaal, het gebeurt bij geen enkele club in Nederland.

Het gevoel: de hele wereld is gek, behalve Twente, is me vaak bekropen. Wij doen raar, zij niet. Maar dat is niet zo, dat bleek deze week. De titel in 2010 heeft de Tukkers trots gemaakt, maar alle excessen en overdrijvingen erna hebben de warmte en de centen uit de club gezogen. Arrogant in plaats van gewoon. Wie houdt daarvan? Afgelopen dinsdagavond hoorde ik de keiharde cijfers en de dramatische toestand waarin de club verkeerde. Toen sprak Van den Belt, in klare taal en zei hij datgene wat bij mij in een klap alle hoop op een mooie toekomst terug deed keren: ‘Kunnen we allemaal weer normaal doen?’ Ja, heel graag!

Fardau Wagenaar