Volledig scherm
© Thinkstock

Opinie | Onderwijs 2032: wie mag bepalen wat onze kinderen moeten leren?

ENSCHEDE De afgelopen weken is veel discussie ontstaan over de toekomst van het Nederlandse onderwijs. Reden hiervoor is het verschijnen van het advies van de commissie ‘Onderwijs 2032’, waarin voorstellen worden gedaan die sommigen in het verkeerde keelgat zijn geschoten.

‘Vaardig, waardig, aardig’
Wat is er aan de hand? Onder voorzitterschap van Paul Schnabel heeft een commissie in een brede, landelijke discussie, visies en ideeën verzameld over de vraag wat kinderen die in 2032 van school komen eigenlijk allemaal geleerd moeten hebben. De conclusies laten zich samenvatten onder de kopjes ‘vaardig, waardig en aardig’: scholieren moeten inhoudelijke kennis en vaardigheden hebben verworven, ze moeten geleerd hebben wat het betekent om deel uit te maken van de samenleving, en ze moeten hun persoonlijkheid hebben gevormd.

Engels
Een aantal elementen uit het advies haalt voortdurend het nieuws. Zo pleit de commissie ervoor om Engels al vanaf het begin van de basisschool te onderwijzen. Ook wil ze naar een minder breed pakket aan basiskennis dat dan wel diepgaander wordt onderwezen (‘meer over minder’), met daarnaast ook vakoverstijgend onderwijs, aangezien veel problemen en vraagstukken niet vanuit één vak kunnen worden aangepakt. Met name dit laatste punt zit sommige leraren dwars. Opgeteld bij het pleidooi voor persoonsvorming en burgerschap, leidt het volgens de conservatieve vereniging Beter Onderwijs Nederland tot een verzwakking van de kwaliteit van het onderwijs. Laat kinderen eerst maar eens goed worden in taal en rekenen, zo is de gedachte. We hebben al zoveel hervormingen achter de rug die tot niets hebben geleid. Blijf met je handen van het onderwijs af, en laat de leraar weer de baas zijn in plaats van alle onderwijskundigen en beleidsmakers.

Laatste woord
Het klinkt misschien sympathiek, zo’n pleidooi voor een terugkeer naar de leraar als basis voor het onderwijs. En het blijkt ook effectief, want een aantal van deze kritische leraren heeft de Tweede Kamer er inmiddels van weten te overtuigen niet zomaar in te stemmen met de plannen. Maar toch gaat er naar mijn mening in deze discussie iets grondig mis. Want is het wel zo vanzelfsprekend dat de leraar het laatste woord moet hebben over de inhoud van het onderwijs?

Democratisch
Uiteraard hebben leraren een bijzondere expertise, die zeer serieus genomen moet worden. Maar dat geeft ze nog geen monopolie op het beantwoorden van de vraag wat kinderen moeten leren op school. Dat antwoord dient van de samenleving als geheel te komen, als uitkomst van een democratisch proces. En juist dat democratische proces is wat de commissie Onderwijs2032 heel zorgvuldig heeft vormgegeven. Er is een jaar lang gesproken met iedereen die mee wilde doen, en er zijn debatten en discussies georganiseerd, online en in het land.

Kernspelers
De huidige discussie roept dan ook vooral de vraag op hoe wij, als samenleving, op een écht democratische manier verantwoordelijkheid kunnen nemen voor het onderwijs van onze kinderen. Er werken drie krachten op elkaar in, die je allemaal op hun eigen manier als democratisch kunt beschouwen: Beter Onderwijs Nederland, die claimt zich namens ‘de basis’ te verzetten tegen ‘de onderwijselite’, de Tweede Kamer die is gekozen door het volk en de commissie-Schnabel, die op een zorgvuldige manier heeft opgehaald welke eisen de tijd van nu, volgens alle kernspelers in de samenleving, aan het onderwijs stelt. De kunst is om deze perspectieven zorgvuldig met elkaar te verbinden. Dat de Tweede Kamer momenteel meer waarde hecht aan het lawaai van sommige actievoerende leraren dan aan het zorgvuldig democratisch georganiseerde werk van de commissie Onderwijs2032 maakt mij er voorlopig nog niet gerust op dat ons dat ook gaat lukken.