Volledig scherm
Het vervallen pand, dat tot vorige week de kruidenierszaak was. © Carlo ter Ellen

Laatste kruidenier uit Tubbergen vereeuwigd door Tommy Wieringa

GEESTEREN - Theo Gehring, ‘de laatste kruidenier van Tubbergen’, is overleden. Hij werd door Tommy Wieringa vereeuwigd in de roman De heilige Rita.

Thuis in zijn vertrouwde omgeving is eind vorige week in Geesteren een romanpersonage overleden. Theo Gehring, naar eigen zeggen ‘de laatste kruidenier van Tubbergen’. Hij is 66 jaar geworden. Hij was vrijgezel en dreef een zeer eenvoudige nering aan de Langeveenseweg. Regenpijpen had het pand nauwelijks meer, de luxaflex hing altijd op half twaalf en een verfbeurt was niet voor de tijd geweest.

Alleen ter plekke kenden mensen hem onder zijn eigen naam. Of zelfs dat niet, en dan noemden ze hem Bakkers Theo, of Bakkers Tilly. Dit laatste om zijn hoge stem. Literatuurliefhebbers en andere lezers van De heilige Rita, de grote Twentse roman van Tommy Wieringa, zullen wellicht weten, of wellicht niet, dat hij model stond voor Hedwiges Geerdink.

In de roman, die hooguit een interpretatie van de werkelijkheid geeft, begint het zevende hoofdstuk zo: ‘Eens rook de winkel van Hedwiges Geerdink naar aardappelen, appels en prei, maar met de komst van de eerste supermarkt van het dorp had hij de verse waren de deur uit gedaan. Tegen Plus-spaarzegels kon hij niet op. Waspoeder, droge worst en tabakswaren waren gebleven. North State, Mantano, merken waar je in de rest van het land vergeefs naar zocht. Hedwiges was de laatste in het land die nog Saroma verkocht’.

Handen op de toonbank

Twee dagen voordat De heilige Rita verscheen kwam Tommy Wieringa naar Twente om met de verslaggever langs de plekken in zijn roman te rijden. Het huis waar hij met zijn ouders woonde, zalencentrum Spalink, het café van Mama Hu. Alles mocht worden opgeschreven. Alleen toen hij zijn auto parkeerde tegenover de winkel van Gehring zei hij: ‘Dit liever niet’.

Binnen stond Theo Gehring, zijn handen op de toonbank. Een L-vormige winkel. Blikken soep, kratten Grolsch, stond daar nog een pak Radion?

„Ha Tommy.” Meteen ontspon zich een gesprek tussen oude vrienden. Te beginnen met de gezondheid. Hij was net terug uit het ziekenhuis. Naderhand, in de auto, haalde de schrijver meteen een notitieblokje uit de binnenzak. Het liet zich raden wat hij ging opschrijven. „Als ik dood ben, Tommy, krijg je wel bericht.” Of het ooit nog opduikt in een roman?

Blijven spoken

Een jaar na het verschijnen van De heilige Rita – van de roman zijn meer dan 100.000 exemplaren verkocht en sinds kort is een goedkope editie verkrijgbaar met helaas een nieuw omslag – ging ik terug naar Geesteren. De ontmoeting met Theo Gehring was het hele jaar door mijn hoofd blijven spoken.

Hij stond er die dag nog net zo als een jaar eerder. Met de handen op de toonbank. Hij had net een vrouw uit de buurt een krat vol levensmiddelen verkocht. „Zo houden we hem en de winkel in stand”, zei ze. Haar auto had ze op de stoep voor het pand geparkeerd. Ruimte zat.

Nee, hij wilde niet in de krant. Alsjeblieft, zeg. Had allemaal geen zin, vond hij. Hij zou alleen nog maar meer aanloop krijgen. Fijn voor een winkelier, zou je zeggen, maar niemand die wat kocht. Hij had zelfs een stel uit Amsterdam binnen gehad. Of dit de winkel was uit het boek?

Vandaar ook dat de luxaflex zo laag hing en nergens een naam aan de gevel te vinden was. Al die lieden, zelfs uit Tubbergen zelf, die kwamen vragen of hij er nog van leven kon. „Sodemieter maar op.”

Klap Jan

Zijn opa was de winkel begonnen. In 1910. Wanneer hij er zelf ingerold was? Zo van school. Wat hij niet vertelde, maar in Geesteren tot de canon behoort, is dat zijn vader Jan in de buurtschap Vermolen ventte met een kar voorzien van allerlei deurtjes. Het klapperende geluid leverde hem de naam Klap Jan op.

En passant verklapte hij deze middag dat de winkel vroeger ook op zondag ‘los’ was. Na de kerkdiensten, elk weekend vier, kwamen de klanten achterom. De vrouwen kwamen er speciaal voor op de fiets en gingen met de fietstassen vol naar huis. Door de week hadden ze geen tijd. Iedereen kreeg koffie.

Het boek had hij gelezen, natuurlijk. Hij was herkenbaar als een van de personages, zei hij. Geen moeite mee? Wieringa had het hem niet gevraagd. Het was al klaar. Maar het maakte hem niets uit. Hij, de schrijver dus, had er mooi veel aan verdiend. „’n Mooi’n tuk vol geld.”

Almelo e.o.